074077:071088:076102:52:062N007:0P

Het is zondagmiddag, lente 1986. Mijn vader maakt de tuin zomerklaar wat voor hem inhoudt dat hij een randje met oranje afrikaantjes in de tuin plant. De tuin is netjes, we hebben een groen zonnescherm. Mijn moeder bemoeit zich niet met de tuin, dat doet mijn vader. We krijgen oranje grenadine met een knappertje. Ik fiets rond op een geel fietsje met een wit zadel. Het is goed.

Lente 1989. Het is warm voor de tijd van het jaar. Mijn vader heeft bakken met Afrikaantjes gehaald. Niks veranderd alleen we pakken nu zelf onze grenadine. Er komt chips op tafel maar we mogen het niet in één keer leeg eten want: eerst de grote mensen! Aan tegenspraak doen wij niet. Wij luisteren naar onze opvoeders.

Lente 1995. Mijn vader heeft weer Afrikaantjes gehaald. Wel in verschillende kleurtjes. De mallerd.
Het is een zomers gezicht. Als hij klaar is drinken mijn vader en moeder een biertje in de tuin. Mijn zus is weg, met haar vriend. Ik zit op mijn kamer, eindexamens moeten worden voorbereid. Ik doe het niet, maar ik blijf daar maar een poosje zitten om mijn ouders in die veronderstelling te laten.

Lente 2002. Mijn vader zet Afrikaantjes in de tuin van het huis aan de andere kant van het dorp. Maar ik ben er niet. Ik woon samen en heb mijn eigen tuin.
Als we zondagmiddag naar mijn ouders gaan, staan de Afrikaantjes op een rijtje in de grond.
Mijn zus is er ook, haar zoontje fietst op een geel fietsje met een wit zadel. Hij krijgt limonade en chips, uit een zakje. Ik drink een cola’tje, dat helpt het beste. Tegen de nadorst.

Het is lente, 2011. Mijn zus en ik treffen elkaar met onze aanhangers bij onze ouders.
We zitten in de tuin en we drinken al lang geen grenadine meer. Pap schenkt ons een wijntje in en de zoon en dochter van mijn zus vermaken mijn dochters. De mannen drinken bier.
Afrikaantjes zijn er niet meer. Net als de grenadine en de knappertjes. Olijven en blokjes kaas staan op tafel. We mogen pakken naar hartelust, wánt we zijn grote mensen.

Tegenspraak is er wel. Wij luisteren niet mee naar onze opvoeders. Wij weten het allemaal wel, mijn zus en ik.
Maar het is goed. Wat niemand weet weten mijn zus en ik wel. Het heeft allemaal zo z’n voordelen en nadelen. Maar het geeft niet. Het is goed. Het is zondagmiddag en het is lente.